De Schrijn is in januari 1991, nu 34 jaar geleden, van start gegaan. In eerste instantie als meubelmakerij met veel aandacht voor organische vormgeving. Na 3 jaar heeft er een professionaliseringsslag plaatsgevonden en zijn de eerste vennoten vertrokken en is Michel Sadon in De Schrijn gestapt. Toen al gaven Erik en Michel cursussen, naast dat ze zelf meubels maakten. Dat begon klein met een keer per week een Basiscursus. Langzamerhand breidde zich dit verder uit en kwamen er steeds meer cursussen bij. In 2009 hebben Erik en Michel besloten om het roer om te gooien en zich alleen toe te leggen op het geven van cursussen en het Praktisch leerjaar.
Per 31 december 2025 heeft Erik zich uit De Schrijn Vof terug getrokken. De Schrijn zetten we voort als een CV, waarbij in een deelgenootschap van meerdere mensen De Schrijn gedragen wordt.
Wij vonden onderstaand artikel uit 1991 over wat de intenties van Erik destijds waren toen De Schrijn werd opgericht. Hierin vertelt hij over hoe hij de nieuwe meubelmakerij voor zich ziet. Wij wensen je veel leesplezier.
Ontkomen aan het zwarte gat
Wat is er spiritueel aan een huis-, tuin- en keukenstoel? Elly Rijnbeek in gesprek met Erik Verkuil, een meubelmaker op zoek naar diepere waarden, schoonheid en kwaliteit.
We zitten in de keuken, die uit ruimtegebrek tegelijk de opbergplaats van zijn gereedschap is. Lijmtangen klemmen zich vast aan de kastplank waar bussen met koffie, suiker en rijst op staan. Aan de muur hangt een rekje met vlijmscherpe beitels, twee spookschaven en een Japanse zaag. Erik Verkuil heeft ontzag voor de kwaliteit en de schoonheid van Japans gereedschap. ‘In het zenboeddhisme is het praktische leven verweven met schoonheid en spiritualiteit. Een beitel is tegelijk een kunstvoorwerp en voor traditionele meubelmakers is de werkplaats een heilige plek. Die verzorgen ze tot in de puntjes’. Het verwondert dan ook niet dat zijn eigen meubelmakerij ‘De Schrijn’ heet, een begrip dat zowel een fraai bewerkte kist als een relikwieën kastje uitdrukt.
‘Ik ben niet zo'n sterke persoonlijkheid’
Tijdens het gesprek rookt hij veel en intens, krabbelt tekeningetjes op papier om zijn woorden te verduidelijken en haalt aandachtig handschaven in- en uit elkaar. Eigenlijk is hij geen prater. Maar als de sfeer goed is en de aandacht onbevangen, stroomt er ineens een niet te stuiten woordenvloed uit zijn mond, waar hij zelf over struikelt.
Vooral de sfeer uit zijn vrijzinnig protestantse jeugd is hem bijgebleven. Zijn ouders waren lid van de Remonstrantse Broederschap in de Zaanstreek, een kleine gemeenschap van veertig mensen. Hij herinnert zich zijn gevoelsmatige band met Jezus en hoe zijn hart volstroomde bij het zingen van de kerstliedjes. Op zijn zeventiende treedt hij officieel toe tot de Broederschap. 'Wat me zo aansprak, was dat de Broederschap niets bepaalde en me vrij liet in de invulling van mijn godsbeleven. De enige geloofsregel was dat ik God boven mezelf stelde en mijn naaste liefhad als mezelf. Het draaide vooral om de eigen verantwoordelijkheid’.
In de jaren hierna raakt hij meer maatschappelijk en politiek geïnteresseerd en loopt warm voor het anarchisme. Ook het anarchisme legt de verantwoordelijkheid bij de mens zelf, maar rekent af met God en het goddelijke. 'Ik weet nog goed dat ik het boek God en Staat van Bakoenin las. Hierin beschrijft hij dat de onvolmaakte mens het volmaakte buiten zichzelf projecteert in God’. Dit idee van God als een projectie schokt hem diep. Het denken bewijst dat een dode niet opgewekt kan worden en dat je een zieke niet met handoplegging kunt genezen. ‘Mijn intellectuele ontwikkeling walste mijn gevoelsmatige betrokkenheid met het religieuze plat’. Jezus verliest zijn goddelijkheid en wordt een bezield mens, een vrijheidsstrijder.
Al gauw komt hij in botsing met de eisen die totaalweigeraars en krakers aan hem stellen. 'Ik werkte inmiddels als verpleegkundige in een Amsterdams ziekenhuis en zat krap in mijn tijd. Daar hielden ze echter totaal geen rekening mee. Het doel heiligde de middelen en als ik niet mee protesteerde of kraakte, was ik een slappe zak. Eigenlijk gedroegen ze zich intolerant en onvrij’.
Het zijn de beginjaren tachtig en allerlei oosterse meesters bezielen West-Europese jongeren. Erik ontmoet Krishnamurti in de Rai en is getroffen door zijn houding van antimeester. ‘Krishnamurti benadrukte dat we ons bewustzijn zelf moeten veranderen en niet via een autoriteitsgeloof. Dat sprak me erg aan’.
Ik vraag hem waarom hij zo'n sterke afkeer heeft van gezag en leiderschap. 'Misschien omdat ik niet zo'n sterke persoonlijkheid ben en moet bewaken dat ik niet ergens in oplos. Ik denk dat het juist de kunst is om met behoud van je eigen kern en eigen verantwoordelijkheid je weg te vinden.’
Als dienstweigeraar komt hij terecht bij een heilpedagogisch instituut, dat zwak begaafde en in hun ontwikkeling gestoorde kinderen opvangt. De visie achter de opvang is de antroposofie. Van deze levensbeschouwing weet Erik zo goed als niets, maar hij voelt zich er meteen thuis. 'Ik kwam daar rond adventstijd en in die periode zingen de begeleiders veel met de kinderen, maken muziek en versieren de ruimtes met groene takken en blauwe linten. Na alle grauwe en vieze kraakpanden en het betonnen, steriele ziekenhuis, was dit voor mij een verademing. Ik vond weer een plek waar aandacht was voor verzorging, schoonheid en warmte.'
De gevoelsmatige verbinding is hem echter niet genoeg. Hij zet zijn denken weer aan het werk en leest alles wat los en vast zit op het gebied van de antroposofie. ‘Ik slobberde de esoterische wijsheid op als een stripverhaal. Mijn interesse ging vooral uit naar het leven vóór dood en naar hogere werelden. Ik raakte zelf compleet van de aarde af’.
Hij eet van de waarheid, zonder haar te verteren. Hij komt in een psychose terecht en wordt gevoelig voor elementaire krachten in de natuur. 'Ik herinner mij dat ze bij het instituut een oude eik omzaagden. Ik voelde sterk dat die eik meer was dan zijn stam, takken en bladeren en dat je die niet respectloos in tien seconden met een kettingzaag kon omzagen. Zulke ervaringen leerden mij dat dingen niet alleen een economische waarde, maar in de eerste plaats een spirituele dimensie hebben'. Zijn psychiater doet het af als lariekoek en waanideeën. Voor hem zijn die ervaringen reëel.
Hoewel hij zich jarenlang had beschermd voor het verlies van zijn eigen centrum, gaat hij nu onder in een wereld die hem onbekend is en hem beangstigt. 'Maandenlang zwom ik in een groot zwart gat, het was een afgrijselijke ervaring, ook voor de mensen om me heen. Maar het is ook een belangrijk keerpunt geweest in mijn leven, waarbij ik van de gezondheidszorg overstapte naar het meubelmakersvak. Als die crisis er niet geweest was, had ik waarschijnlijk nog jaren doorgesukkeld in de gezondheidszorg’.
Aan pijn en lijden verbindt hij het beeld van vuur. 'Pijn is vuur van binnen dat brandt, maar ook reinigt en de mogelijkheid biedt om opnieuw te beginnen.'
De thema's eigen verantwoordelijkheid, vrijheid en gevoelsverbinding lopen als een rode draad door zijn leven. Afwisselend spreekt zijn gevoel of zijn verstand, maar de schakel er tussen blijft zoek. In de antroposofie vindt hij een wetenschappelijke basis voor spirituele gevoelens die hij als kind al had ervaren. 'Een religieuze ervaring heeft met gevoel en denken te maken.' Ter illustratie laat hij een gekloofd eikenblok zien. De houtlijnen stromen als riviertjes door het blok en waar het takje heeft gezeten, vermijden ze het obstakel met een kronkelende bocht.
Maandenlang zwom ik in een groot zwart gat
‘Met mijn gevoel verwonder ik mij over dit eikenblok. Maar als ik dit gevoel verbind met de gedachte dat een boom zichzelf opbouwt uit een sapstroom, zie ik ineens dat die sapstroom zich verdicht in het hout. Gevoel en denken leiden tot objectieve waarheden. Juist in deze tijd, waarin ieder mens gericht is op zijn eigen gevoelens, is een objectieve wetenschap nodig om mensen met elkaar te verbinden’.

Erik kan zich ook goed vinden in het antroposofische begrip ‘vrijheid’. ‘Het is een andere vorm van vrijheid dan binnen het anarchisme. Het anarchisme predikt vrijheid, die je - mèt al je sociale bepaaldheden - in één leven moet verwezenlijken. In de antroposofie zijn reïncarnatie en karma heel belangrijk en kun je in verscheidene levens proberen een vrij mens te worden. Een vrij mens is iemand die keuzes maakt, los van egoïsme, begeerte, afkomst en aangeleerd gedrag. Pas dan is de mens in staat werkelijk uit liefde te handelen’.
Pijn brandt maar reinigt ook
Hij geloof in een ‘weving van het lot’. Onzichtbare draden verbinden hem met allerlei mensen en gebeurtenissen en als hij een goede keuze maakt, komen ze hem tegemoet. Een soort netwerk dat door de dood heengaat. ‘Een tijdje terug rijpte het plan om een meubelwerkplaats op te zetten. Het is in deze regio moeilijk werkruimte te vinden. Maar als ik die keuze maak vanuit mijn diepste kern, weet ik dat die werkplaats er geheid komt’.
Hij benadrukt dat de mens niet op een soort wolk van onzichtbaar helpende handen naar het goede wordt gedragen. ‘Het gevaar van denken over reïncarnatie is dat de mens vanzelf tot het goede komt. De mens kan zich ontwikkelen aan het spanningsveld van goed en kwaad, maar het is geen automatisch gegeven. We zijn in de loop van de geschiedenis steeds losser komen te staan van het goddelijke. Op dit moment is ieder mens vrij om te kiezen voor de vernietiging van het leven of voor een positieve omvorming. Dat doet een enorm appèl op om met een melder bewustzijn juiste keuzes te maken en ons actief in te zetten’.
Zijn verhouding tot God of het goddelijke vindt hij moeilijk onder woorden te brengen. ‘In gebed of bij het uiten van dankbaarheid richt ik me eerder tot Christus. Tussen God en mij zit een grotere afstand, ik proef het goddelijke vooral in het gedragen worden door het leven heen’. Hij kan moeilijk uit de voeten met rituelen buiten of binnen de Christengemeenschap, de kerk die verwant is aan de antroposofie. 'Zelf breng ik te weinig zelfdiscipline op om dagelijkse rituelen vol te houden. En met de Christengemeenschap voel ik me - soms tot mijn eigen spijt of onvrede - niet verbonden. Ik zoek de spiritualiteit meer in mijn werk en in relaties’. In zijn vak als meubelmaker vind je zijn ideeën over spiritualiteit, respect voor het leven, schoonheid en vrijheid duidelijk terug. Met twee vrienden heeft hij het meubelatelier De Schrijn opgezet. Ze ontwerpen massief houten meubelen, voeren ze als model uit en geven cursus ambachtelijk meubelmaken.
Erik legt uit waarom het gebruik van massief hout belangrijk is. ‘In een massief houten meubel spelen de levensprocessen van de boom nog door, terwijl een meubelstuk van gefineerd spaanplaat recht en dood is. Uiterlijk zien ze er misschien hetzelfde uit, maar ze hebben een heel andere uitstraling’.
Maar als ik nu gelukkig ben met zo'n nepmeubel van spaanplaat, protesteer ik voorzichtig. ‘Het gaat niet alleen om geluk', zegt hij stellig, ‘maar ook om de waarheid’. Hij vertelt over een vriend die hem trots zijn nieuwe bureau liet zien. Het leek als twee druppels pels water op een origineel jaren-twintig bureau. ‘Maar in de jaren twintig gebruikten meubelmakers massief hout en bepaalde houtverbindingen, terwijl dit meubel met spijkers, schroeven, spaanplaat en fineer in elkaar was gezet. In feite kocht hij dus een illusie: hij bezat een heel dun laagje hout met daaronder een pot lijm met houtsnippers. Hier komt het denken weer op de hoek kijken; het denken doet een beroep op je om bewust te kopen en te kiezen voor kwaliteit’.
Een ander uitgangspunt van het meubelatelier is dat het spaarzaam en selectief gebruik maakt van houtbewerkingsmachines. Erik geeft aan dat er een hemels breed verschil is tussen een handgemaakt en een machinaal gefabriceerd meubel. ‘Bij een machinaal meubel komt geen mens meer kijken. Van de tekening af worden de machines ingesteld en dan rolt er een tot op de millimeter perfect meubel uit. Maar als ik een meubel met de hand maak, leg ik daar mijn emoties, enthousiasme en vakmanschap in. Ik voeg dus iets toe aan dat meubelstuk. Je kunt het niet zien, ruiken of voelen, maar dat meubel straalt iets anders uit dan dat machinaal perfecte meubel’.
Bovendien merkt hij dat de machines een verruwende en vergrovende uitwerking op hem hebben. ‘Als ik een dag achter de schaafbank heb gestaan, zuigen de kracht en het lawaai van de machine me helemaal leeg. Met oordoppen in, een stofmasker voor en een veiligheidsbril op kan ik dat geweld wat dempen, maar dan verlies ik het contact met het materiaal en mijn collega's’.
Als tegenwicht voor de grove, machinale arbeid werkt hij niet alleen ambachtelijk, maar ontwikkelt daarnaast de esthetische kant van zijn vak, de vormgeving van meubelen. Hij zoekt naar vormen, die verwant zijn aan de organische wereld, de planten-, dieren- en de mensenwereld. Karakteristiek van deze vormen zijn vloeiende lijnen, hoeken die niet haaks lopen, ritme en mensverwantheid. Hij verfoeit de mensonvriendelijke, rechte en strakke vormgeving van banken, ziekenhuizen en meubelen, waarbij vooral functie, de productiviteit van het gebouw of het prestige van de kunstenaar telt. ‘Deze vormgeving stamt vooral uit de anorganische wereld, de dode wereld van de mineralen. Maar een mens is niet hoekig als bergkristal, maar komt voort uit de leven de natuur’.
Hij vertelt hoe het meubelatelier te werk gaat bij het maken van een ontwerp. ‘Neem nou een kapstok. Eerst leven we ons in de functie van een kapstok in: je hangt er je jas aan, de jas omhult je als een extra huid, hij staat vlakbij de ingang op een drempel van buiten naar binnen. We zoeken vervolgens naar een vorm, die dit weet uit te drukken. De kapstok verbeeldt bijvoorbeeld een wachter, die je alert maakt dat je van je privéwereld overstapt naar je werkwereld’.
Vormen hebben voor hem - net als kleur en materiaal - een spirituele dimensie. ‘Vormgeving is spiritueel, want het ontspruit uit de geest van de mens. Een bepaalde menselijke inspanning of een idee voegt iets toe dat natuurwetenschappelijk niet te bewijzen valt. Wat maakt dat een kathedraal meer is dan een hoop stenen, balken en dakpannen? En waarom overstijgt die kapstok zijn hoeveelheid hout’? Ziet de klant niet gewoon een mooie kapstok? ‘Meestal wel. Daarom is het zo belangrijk om vanaf het begin met de klant in gesprek te komen. Hij moet het natuurlijk ook willen, de vorm kan niet dwingend worden opgelegd’. Net als de klant, heeft hij zelf ook geen automatische verbinding met het spirituele. Binnen het meubelatelier verkeert het denken over spirituele vormgeving nog in de studiefase. ‘We proberen een gevoel voor objectieve waarheden te ontwikkelen, dat uitstijgt boven termen als ‘fraai’ en en ‘lelijk’. De inspiratie halen we uit Egyptische, Griekse, Romeinse en andere oude culturen, waar het spirituele nog verweven was met het hele leven’. Ze planten die vormen niet klakkeloos. over naar nu. ‘We kijken bijvoorbeeld naar het beeld van de stoel door de geschiedenis heen. Uiteindelijk komen we dan terecht bij de zigzagstoel van Rietveld, de minimale vorm van de stoel. Dat skelet moeten we weer nieuw leven inblazen’.
Ik ben niet aan het einde van mijn zoektocht
Ik zeg hem dat ik zijn streven begrijp en bewonder, maar ook hoog gegrepen vind. ‘Ja, en dan kun je diep vallen’, voegt hij er onmiddellijk lachend aan toe. Hij beklemtoont dat het meubelatelier zijn ideeën over vormgeving en ambachtelijk werken niet bedenkt uit navelstaarderij of hoogmoedigheid. ‘Arbeid is een middel om je tot mensen te verhouden. De meubelen die we maken zijn bestemd voor de klant en de vorm ontwikkelen we in gesprek met de opdrachtgever. Ook in onze samenwerking staat de menselijke verhouding centraal. Het wezenlijke van het spirituele is dat het om de mens draait’.
Aan het eind van het gesprek knijpt hij ‘m ineens. Hij vreest dat ik zijn denkbeelden zal vastnagelen op papier en dat daarmee de rek en nuance er uit zijn. ‘Ik ben niet aan het einde van mijn zoektocht. Het gaat om een proces in denken en voelen dat steeds voortgaat en moet worden vernieuwd’.
Elly Rijnbeek
HN 16 november 1991